BRIEVEN AAN INE
Beste Ine,
(‘lieve’is immers ongepast in de relatie tussen een medicus en een patient, staat wat haaks op mijn object-rol) ik voel me nu min of meer genoodzaakt om in actie te schieten. Jij hebt, zoals het hoort, mijn medisch dossier opgevraagd, en dan weten we dus allebei wat het volgende chapiter wordt. De verzameling testjes , griepjes en genoteerde diagnoses gaat worden aangezien voor de historie van mijn physieke bestaan. Versta me niet verkeerd, het is geaccepteerde medische praktijk en het is waarschijnlijk maar beter ook dat je min of meer weet wat er zich allemaal voor polonaise aan mijn lijf heeft afgespeeld. Maar of het een goed beeld geeft?!?!?!
Niet dat ik nu direct erik en consorten ga beschuldigen van het valselijk weergeven van de anamneses, verre van dat. Ik beweer niet het grotere gelijk te hebben.
Maar misschien heb ik wel reden om te twijfelen aan het bestaan van enig gelijk als het over de toepassingen van de medische wetenschap op mijn persoon gaat.
Medeor, ‘beteren’ is de taalstam waar medische activiteiten op terug te voeren zijn. De medische wetenschap moet mij beter maken dan ik ben. We kennen beiden het geijkte procede: de patient is de vrager, degene die smeekt om de verbetering, de arts heeft de rol van verbeteraar. Al bij het binnenkomen is dat vastgelegd, nog voor er een woord gevallen is. Het is een selffulfilling prophecy van de bovenste plank. Al zouden er enkel placebo’s toegediend worden, dan nog zijn waarschijnlijk een groot deel van de klanten direct geholpen door de indruk dat ze ‘verbeterd’ werden. Dat is ook niet erg, toch!. Beter voelen willen we ons allemaal wel, en wat kan het schelen hoe dat komt, als het er maar komt. Dus protesten, zelfs tegen het toedienen van placebo’s zijn niet waarschijnlijk en sowieso erg weinig opbeurend.
Dus , soit, zelfs aan bedotten zit een goede kant.
Helaas kunnen we ook echt ziek worden, en dan is er iets meer dan placebo’s vereist. Een been eraf, en je gelooft niet meer dat dat met een pilletje wel goed komt. En dan wordt het lastig voor de medici: mooie woorden en fakepillen moeten gevolgd worden door middelen die wel helpen. Gelukkig wil de patient wel graag geloven dat het helpt, maar in het zicht van onmiskenbare problemen moet die belofte wel wat meer onderbouwd worden. Daartoe heeft de medische discipline een scala van oplossingen ontwikkeld. Een eerste randvoorwaarde voor het aanvaarden van die oplossingen als echte oplossing is de kennishierarchie: medisch werken is ‘wetenschap’, d.i. kunde van het weten. De medicus weet, de patient niet. Je gaat naar de dokter omdat je het zelf niet weet, dat is een vooraf bepaald gegeven. Onwetendheid bepaalt je patient-zijn, het is er de definitie van.. Dus hoe zou je dan kunnen twijfelen als de dokter zegt dat het mooi genezen is: hij weet het, daarvoor kwam je bij hem, en je kwam ook omdat je het zelf niet weet, en dus in een onmogelijke positie bent geplaatst om de juistheid van een oordeel te betwijfelen..
De medicus die genereus zijn gaven aan u toedeelt is ook niet de persoon die je ,patient zijnde, gaat meedelen dat zijn zoete broodjes nogal zuur zijn: bedelaars vallen bedelers niet aan. Het privilege van ‘weten’ schept op zich al een machtspositie, die naast het verschil tussen weter en leek de functie van een medicus onomstreden maakt.
En, begrijp me goed, ik stel niet voorop dat die machtspositie en die kennisvoorsprong altijd ten onrechte gebruikt worden, helemaal niet. Het gaat me er enkel om spelenderwijs de vraag te stellen of het niet zo is dat die omschrijving van de medische rol wat verblindend werkt.
Bijvoorbeeld die mooie succespercentages. Ik ben geen onderzoeker van medische resultaten, gelukkig niet . Maar als ik die prachtige cijfers altijd hoor die uit de medische wereld komen, dan begrijp ik wel de zelfverzekerdheid waarmee artsen je altijd meedelen dat hun zojuist voorgeschreven aanpak de juiste is. En ook op patienten maken die cijfers natuurlijk wel een verpletterende indruk. Maar zou het niet kunnen dat artsen iets een succes gaan noemen, omdat ze er zelf op voorhand van uit gaan dat hun aanpak moet werken, bijvoorbeeld vanwege de mooie artikelen met succesverhalen in de door de farmaceutische industrie gesponsorde bladen.? Zou het ook niet kunnen dat de arts iets een succes noemt terwijl de patient dat helemaal geen succes vindt maar meent het oordeel van de arts te moeten aanvaarden: het kon blijkbaar niet beter. ? Zou het ook niet kunnen dat er ziekten worden genezen, eenvoudig omdat het geen ziekten zijn ([1]zie bijvoorbeeld ‘De depressieepidemie’ van Dehue) en dus een succes niet moeilijk was.? Zou het ook niet kunnen dat de ‘economie der verwachtingen’ , d.i. het opkloppen van de verwachting van verbetering door verabsolutering van de vooruitgang door innovaties door de farma-companies een beeld van onbetwistbare medische kracht hebben opgeroepen wat twijfel aan resultaten onmogelijk maakt? Als Wyeth en Quintiles samen onder verschillende merknamen een middel als de oplossing aanprijzen, welke individuele arts, laat staan patient laat zich dan de hallucinerende vooruitgang ontnemen?
Ik denk dat dat allemaal mogelijk is.
En toch, lijkt me, ligt de kern van de moeilijkheid misschien wel onder al deze verschijnselen. Er is iets met ‘medeor’ zelf. Eerder al schreven Foucault, Thomas Szaz en anderen het concept ‘waanzin’ naar een ontideologiserende uitgang van de wetenschap toe. De waan van de waanzin was inderdaad een illusie, het concept kwam bloot te liggen als een instrument van de gearriveerde burgerij om zich van de problematische gevallen in hun omgeving te ontdoen, zonder dat het fenomeen van de mentale ziekte als zodanig in twijfel werd getrokken.
Ook ‘depressie’ blijkt nu (Dehue en anderen)eerder een marketingterm van de wereld van psychiaters en farmacologen te zijn dan een doeltreffende omschrijving van samenhangende syndromen. Depressies verkopen lekker, het opvoeren van de aantallen aangetroffen depressieven voert ook gelijk de inkomsten op.
Maar als er steeds concepten ontstaan waarmee mensen onmachtig worden verklaard, zouden we ons ook eens de vraag mogen stellen naar de achtergronden, de historische genealogie om met Foucault te spreken, van het bepalende concept ‘medeor’.
Het is een beetje zoals met dat grote bijna parallelle concept ‘waarheid’ . De mensheid ging van onwetendheid naar religie en van religie naar ‘waarheid’ om haar leven erdoor te laten bepalen, en vervolgens na de kwantummechanica, Kuhn ([2]) en anderen, tot de slotsom te komen dat waarheid een maar heel erg relatieve zaak was. Is dat met ‘medeor ‘ ook zo, is er eigenlijk geen ‘beter’ of geen ‘ verbeteren’? Laten we alleen maar concepten ontstaan als dat in de machtsverhoudingen en de samenleving goed past?
Is er, Ine, een ‘beter’ voor mij als jij met mij bezig bent?
Ik vraag me dat vaak af. Weet je, tot nog niet zo heel lang geleden kon ik niet om de instinctieve gewaarwording heen dat ik het toch een verworvenheid vond om al die technieken van de beschaving om mij heen te hebben: serviezen, bedden, tafels, stoelen,boeken, computers, en vanuit dat gemak (zo zag ik het wel) beschouwde ik al het andere als ongemak, nee, als niet goed, nee, als slechter: ik deed beter. Je doet het per ongeluk, je wilt je niet beter voelen, maar het glijdt er vanzelf in omdat je streeft naar gelukzaligheid voel je je eerder gelukzalig. De beschaving is daar het etiket van. Wij noemen onze eigen gelukzaligheid ‘beschaving’ . En daar zullen godbetert al die andere klootzakken op de wereld dan ook van weten ook. Fisk noemt zijn grote boek ‘de beschavingsoorlog’([3]) , en zo is het precies Erasmus begon er al mee ; zoals N Elias([4]) zo mooi aanwees: we hadden de vork nodig om onze ‘ gelukzaligheid’ , beschaving geheten, te profileren tegenover die andere, minder goeden, die onbeschaafd waren. Beschaving rechtvaardigt onze superioriteit, beschaving is het conceptuele wapen, met beschaving hebben we het recht afghanen en irakezen uit te moorden, beschaving is juist het moorden zelf. Ik zei al, het duurde wat om te begrijpen. Ik heb een indiase vriend, die duidelijk geintimideerd door onze beschavingsdrang de eerste tijd in europa keurig met mes en vork at. Maar zodra hij eigen huis, vrouw en kind had, ging hij eindelijk op zijn gemak weer met zijn handen eten. Een gelijk dat hij had. Ons concept beschaving is tegen hem gericht, niet om hem beter te maken maar juist slechter. ‘Beschaving’ sublimeert ons superioriteitsgevoel maar voegt het wel iets toe?
Met ‘medeor’ is het een beetje vergelijkbaar. Niet dat ik bestrijd dat er ingrepen in het menselijk lijf en de menselijke geest mogelijk zijn die tot vooruitgang kunnen leiden. Natuurlijk zijn er die wel. Maar er zint me heel wat niet aan het concept. De verbetering wordt teveel voorondersteld waar die nog waargemaakt moet worden. Medisch werk is ‘verbeterend werk’ . De tevredenheid van doktoren over hun prestaties is helemaal geen maatstaf, en de tevredenheid van afhankelijk en monddood geworden patienten is dat al evenmin. Laten we de gratuite constatering dat de helft van de huisartsenpatienten niet of nauwelijks ziek zijn achterwege en ons beperken tot de onmiskenbaar beschadigde gevallen , die waarvan doktoren vinden dat zij er met ingrepen een verbetering in aanbrengen.
Neem de chirurgische ingrepen. Wat plaatsvindt is een operatie waarna de patient bezocht wordt door de controlerende arts die enkel nagaat of de patient opknapt en het betreffende onderdeel functioneert. Ontslag uit het ziekenhuis volgt zo spoedig mogelijk als de controlerende arts denkt dat complicaties (sic!) zich niet meer voordoen. Is de patient beter af? Dat weten de artsen helemaal niet, de persoon in kwestie kan er zich doodongelukkig mee voelen, het onderdeel functioneert wellicht al snel niet meer, hij krijgt andere verschijnselen waarvan de artsen zeggen dat die niet het oude probleem zijn, etc. Ik weet vrij zeker dat al die kwesties door artsen weggewuifd worden: er is verbetering, naar hun begrip althans en dus heeft ‘medeor’ plaatsgevonden en is het gedrag van de medicus gerechtvaardigd.
De medische statistieken uit de ziekenhuizen zijn door deze bevooroordeelde opvattingen totaal vertekend. Ik lag eens in een ziekenhuis op een afdeling voor longzieken met een dubbele longontsteking samen met drie anderen: na drie dagen was ik de enige die niet te horen had gekregen dat hij dood zou gaan, maar het ziekenhuis ontsloeg 2 van de patienten wegens ‘geslaagde behandeling’ wat gelijkstond aan het advies om thuis nog een laatste goede tijd te genieten.. Ook de derde patient werd niet als een medische mislukking beschouwd: dat hij het ziekenhuis niet meer uit kwam was immers de medische stand niet te verwijten. Het grootste probleem met de medische statistieken is zo dat er in feite nooit of nauwelijks mislukkingen geteld worden, omdat de medische wetenschap zichzelf als beter makend definieert. De discussie over het falen wordt onmogelijk, omdat de medische wetenschap niet slechter maakt maar juist ‘per definitie’ verbetert.
Ik geloof niet in die ‘verbetering’, en vooral niet in het effect ervan. Tegengestelde statistieken aan die van de ziekenhuizen kan ik niet geven, omdat die niet bestaan en ook niet kunnen bestaan door de werkwijze van de medische wetenschap. Mijn enige wapen in termen van argumenten daartegen is mijn eigen medische historie, die je zo onvolledig als maar mogelijk is in dat mooie medische dossier binnen gaat krijgen.
Welaan, laat eens kijken of mijn persoonlijke medische historie, die dus van maar een enkele mens, de medische wetenschap wat grond onder de voeten kan geven in de rechtvaardiging van haar pretenties.
We beginnen maar vanaf de grond, zoals het nederige mensen betaamt. Mijn voetzolen, die ammetante voelsprieten van het menselijk lijf, hadden op mijn 22e de kwalijke eigenschap fors te rieken en te zweten; niet erg als het daarbij bleef, maar dat deed het niet. De hele rechtervoet verwerd van onderen tot een grote blaar en de huisarts beloofde mij een aanpak die dat probleem voor eens en voor altijd zou oplossen en onherroepelijk was en had het daarbij over een zinkzalf. Nooit geweten wat het werkelijk was,maar de blaar verdween en de zweetvoeten ook. Maar niet het gevoel. Tientallen jaren heb ik met ‘natte voeten gevoel’ gelopen, zwetend terwijl ik niet zweette.; en het was inderdaad onherroepelijk, want geen enkele arts kon daar nog wat aan doen.
Kom, niet getreurd, wat hoger. In goede katholieke families worden kinderen gehouden om de kerk te eren en niet de kinderen. Dus werden we vanaf de leeftijd dat we lastig werden, en dat was bij mij al op 10 jarige leeftijd, naar kostscholen afgevoerd, waar we lang moesten blijven en onze ouders eens in de 3 maanden maar naar ons om moesten zien. Voeten groeien daarvoor te snel. Mijn schoenen pasten bij het begin van de 3 maanden, en waren te klein aan het eind ervan. Bovendien vond mijn moeder sportschoenen te duur om elke drie maanden te vervangen zodat sporten een erg pijnlijke aangelegenheid werd. Met 12 jaar stond mijn grote teennagel als een muurhaak in mijn teen en werd er een dokter bijgehaald die de nagel eraf trok; en werd er een dokter bijgehaald die de nagel eraf trok; en werd er .... etc . Nu , na 5 keer trekken vond mijn moeder de moeite te veel, en ze bracht me dan maar naar een chrirug , die fluks de hele kop van mijn grote teen inclusief nagelbed eraf haalde - dacht hij. Het nagelbed dacht daar anders over en kwam terug, in fors misvormde vorm. Nieuwe operatie, om dat restje te verwijderen. Jammer, maar het kwam terug. Je voelt het al: mijn grote teen is ondertussen 7 keer geopereerd en nog altijd groeit dat restje nagelbed in misvormde vorm terug.
De chirurg in kwestie had de oorspronkelijke operatie ook niet echt doordacht, bleek wat later na de eerste operatie: de tweede teen was plots nu langer dan de grote teen en zo een kleine teen is niet voorzien op de krachten waar een grote teen tegen opgewassen was. Bij de eerste de beste sportwedstrijd brak ik derhalve direct mijn tweede teen, en toen ik dat kunststukje nog 2 keer herhaald had bedacht de arts dat die dan ook maar ingekort moest worden. Dus haalde hij daar operatief een kootje uit waardoor die teen korter en een stijf geheel werd, dat weliswaar niet meer brak , maar vele malen in mijn leven blauw is geweest omdat hij bij botsingen met de buitenwereld niet meer mee kon buigen.
Goed we gaan wat hoger in de maar al te menselijke historie. Op mijn negende jaar hadden mijn ouders weer eens schoon genoeg van mijn aanwezigheid en werd ik uitbesteed naar een vriendelijke familie die in de bossen woonde. Met de twee kinderen had ik het fantastisch en wij maakten op een goed moment een karretje van een sinasappelkistje dat op een kinderwagenonderstel werd geplaatst. Het karretje veerde geweldig en het mooiste leek ons om in het karretje van de heuvels af naar beneden te rollen. De twee anderen waren te groot voor het kistje zodat aan mij de eer te beurt viel. Ik paste precies, opgevouwen en met mijn wangen tegen mijn knien. Heuvels in bossen zijn niet vlak, er zitten stompen van oude bomen op . Ik raasde naar beneden, het karretje raakte een of meerdere stompen en ging een aantal malen over de kop en ik werd wakker op het bed van onze dokter met twee benen in het gips en een heel boze moeder over mij heen. Twee benen gebroken en 12 krammen in de knien zoals dat toen heette. Onder die gipsklompen hadden ze ijzeren beugels gezet en daar heb ik heel wat weken op rond gehopt. Ik dacht toen, toen ik weer zonder kon, dat ik er goed af kwam. Dat was de eerste 30 jaar erna ook zo, en van de littekens had ik geen last, dacht ik. Rond mijn veertigste begon ik last te krijgen van opzwellende knien. Dagen lang kon ik niet lopen, en dat kwam steeds in golven terug. Het werd erger en erger, en dus werd de dokter opgezocht. Daarvan kreeg ik een van de beste adviezen die ik ooit gekregen heb. ‘Het is artrose’ zei hij, ‘veroorzaakt door oude littekens, maar ga er niet mee naar het ziekenhuis, want die schrapen het er enkel af en dan krijg je het gewoon terug.’ Hij raadde me aan het gewoon uit te zitten en het gedurende vele jaren te laten genezen, en hij had gelijk: ik heb er geen last meer van.
Hoger weer. Mijn ouders planden de viering van hun 25-jarig huwelijk. Als je niet van katholieke huize bent is nauwelijks te begrijpen hoe belangerijk het voor mensen is te weten dat ze nog leven na 25 jaar gedwongen aan elkaar te zijn geketend. Ik bestond het om juist in de maanden daarvoor last te krijgen van een fistel. Mijn moeder hield altijd al niet van verstoring van haar plannen en toen ze zich realiseerde dat ik in plaats van op de bruiloft wel eens in het ziekenhuis kon zijn boorde ze dat gelukzalige vooruitzicht onmiddellijk door mijn neus: er moest een dokter komen die de ontsteking van de fistel moest platspuiten totdat de viering voorbij was. Dat deed hij en vergat te vertellen dat alcohol daarbij wel streng verboden was, waardoor ik de viering geheel verpestte met uitgebreide kotspartijen. Ondertussen groeide die fistel wel, ook al zat ik onder peniciline en op kussens. Eenmaal en te laat gearriveerd in het ziekenhuis zei de behandelende chirurge dat de operatie wel geslaagd was maar dat het een beetje aan de late kant was en dat ze het daardoor niet meer helemaal in elkaar had gekregen. Er stak wat ingewand uit, zo bleek, en dat is de rest van mijn leven zo gebleven, De huid van ingewanden is niet bedoeld voor de buitenlucht en gaat dus steeds open bij de geringste rauwe passage, en dus verlies ik de rest van mijn leven altijd wat bloed. Och, dat went, een schoonheidsfoutje.
Nu de andere kant. Na de geboorte van onze eerste zoon, toen de emancipatiegolf onze relaties teisterde was het wel het toppunt van mannenterreur als de vrouw zich liet steriliseren en dus kwam dat de man, i.c. mij toe. Geheel onschuldige operatie, zei men mij, zo gebeurd. Plaatselijke verdoving vond ik altijd een goed idee, maar niet als er aan beide zijden van je balzak een snee van 10 cm wordt gemaakt. Het deed toen zeer en het doet nog altijd regelmatig zeer omdat de littekens vaak ontsteken. En ook hier gold: niets meer aan te doen.
Een jaar of 8 geleden -ik was in frankrijk en in ons huis, bezig met verbouwen,denken en lezen- kwam ik na een avond verdiept zitten in een boek, slaapdronken uit mijn stoel om geheel in gedachten naar mijn bed te sukkelen, buitenom, want binnendoor kon dat toen nog niet. Buiten stond in het donker een pallet tegels opgesteld die ik geheel en al vergeten was. Ik klapte ertegen aan, ging over de kop en kwam keurig met mijn rug op de rand van de tegels terecht. Dat deed zeer, maar ik verbeet dat liever en dus klauterde ik in mijn bed en sliep een onbezorgde slaap. De volgende dag vertrok mijn ega en dat wou ik niet verpesten en wuifde haar dus keurig vaarwel. Een goede wandeling leek me de dag daarna, toen ik weer wat opgeknapt was, een goed idee. Ik liep in de bossen rond totdat ik niet meer kon van de pijn, maar verdwaalde ongelukkigerwijs daarbij. Ternauwernood wist ik terug te komen, verging zo ongeveer en reed naar een dokter, die me niet eens wou zien en naar het ziekenhuis doorstuurde. Daar maakten ze een mooie foto en toen ik daar naast de verpleegster belangstellend naar kwam kijken werd ze zeer opgewonden en beval mij onmiddellijk te gaan liggen. Ruggewervel gebroken dus en een scyth (als ik dat goed schrijf, het is een verscheurende pijn van bil tot hiel, veroorzaakt door een spierscheur). Ook dit ziekenhuis paste de beste therapie toe: ze deden niets en gaven mij opdracht dat ook te doen., en het hielp.
Dat kon ik niet zeggen van een andere kwestie. In 1987 verbleven we tijdelijk in een noodwoning in afwachting van ons nieuwe huis in beusichem. Noodwoninkjes hebben dunne wanden en onze buren hielden van muziek, en niet een beetje. Ik was het kotsbeu en ging naar buiten en klopte op hun ramen, te hard waarschijnlijk. De ruit brak en sneed van alles in mijn pols door wat aan elkaar hoorde te zitten. Ik wist wat slagaderlijk bloeden ongeveer betekent, knoopte vliegensvlug een handdoek om mijn arm, sprong in de auto en reed naar het dichtbijgelegen ziekenhuis., dwars door de plantsoenen gevolgd door een geagiteerd zwaailichtende politieauto. Waarvan de inzittenden mij pas in het ziekenhuis met rust lieten. De behandelen assistent-arts zag het helemaal niet zitten en begon aan mijn voeteneind de specialist te bellen. Feestje aan de andere kant. Hij kon niet komen. Assistent dan maar aan het werk ‘ Zuster , wat is dit ?’ zei hij op een gegeven moment waarbij hij een van mijn pezen wat omhoog hield.. Teveel voor mijn ega die wegvluchtte. We mochten voor controle na 3 maanden terug komen en deden dat ook; de specialist vond het allemaal dik in orde ook al had ik geen gevoel meer in drie vingers. Na 9 maanden en de vaststelling dat ik het gevoel in de helft van mijn hand kwijt was gingen we naar het academisch hospitaal die een kijkoperatie uitvoerden en vaststelden dat er teveel littekenweefsel was ontstaan en ze niets meer konden doen. En, nee, een aanklacht tegen de artsen die mij dat aangedaan hadden konden ze wegens collegialiteit niet ondersteunen.
Veel later, toen ik al over de vijftig was, en snel nog wat houtblokken wilde zagen, zaagde ik en passant mijn andere hand door. Ik was in shock en tot niet veel meer in staat maar mijn overbuurvrouw, die meer gevoel voor realiteiten had dan ik op dat moment kon opbrengen weerhield me van in de voorgereden ambulance stappen die me naar het elisabeth-ziekenhuis wilde brengen en bracht me in plaats daarvan naar het Middelheim, naar dokter Vreugde, die haar juist had verteld die dag op vakantie te gaan. Hij ging niet en redde mijn hand, de enige operatie op mij die ooit vlekkeloos gelukt is.
Dat was niet precies het geval met mijn schouder en sleutelbeen. Toen ik 20 was en entousiast moter reed had ik nog de agressie die mede in stand gehouden wordt door onbekendheid met de medische gevolgen ervan: ik reed snel en soms sneller dan kon, en zo kwam het dat ik na het passeren van een kruispunt een bestelwagen links wilde inhalen die juist links af sloeg. Ik klapte er vol in en mijn schouder klapte dubbel en mijn ribbenkast zat in een vorm die ze in de hemel niet kunnen hebben bedacht. Eenmaal weer bij adem gekomen werd ik afgevoerd naar een dokter die een aantal gebroken ribben en een gekneusde schouder vaststelde en mij tot een mitella veroordeelde voor tenminste 8 weken. Na 6 weken en geen verbetering kon ik het niet laten om in een zeilboot met arm in mitella aan een lijntje te gaan hangen, en mijn arm zei hoorbaar ‘knak’ en voelde plots een stuk beter aan. Weer naar een dokter die zei dat de arm klaarblijkelijk uit het sleutelbeen was geweest en nu weer keurig zat, en dat al veel eerder gedaan zou hebben als ik maar geen mitella gedragen had. En dat was dat.
Amandelen zijn dingen die je beter kunt laten zitten, denkt men nu, maar toen ik klein was dachten ze daar zo niet over: eruit dus met die dingen en dat zou snel gaan en zo genezen zijn. Drie en een halve week lag ik in het ziekenhuis met een fors ontstoken keel en ik heb de hele boel bij elkaar geschreeuwd, want als je zo klein bent denk je nog dat dat helpt. En dan te weten dat die hele ingreep zelfs medisch idioterie is.
Sporten wordt over het algemeen als een gezonde bezigheid gezien, maar been beschermers e.d. waren in mijn kinderjaren stof voor mietjes, en dat deed je dus niet en ik had ze dus ook niet. Strafcorners bij hockey zijn oefeningen waar je het beste een burka van staal kunt dragen want daar gaat nogal eens wat mis. Eens stond ik achter de keeper toe te kijken met open mond van de spanning en die moet je vooral bij hockey gewoon dichthouden. De keeper haalde uit met zijn stick naar achteren, trok mijn tand en sloeg de bal terug. Tandartsen repareren dat keurig, maar bij een latere wedstrijd mocht ik betreuren dat mijn moeder onbreekbaar glas te duur vond voor mijn bril: de bal kwam vol in het glas en de toevallig aanwezige dokter heeft twee uur glas in en rond mijn ogen zitten zoeken. Het is hem niet echt gelukt en pas in mijn veertiger jaren vertrokken de laatste splinters uit de huid onder mijn ogen.
Ik was niet de enige die niet echt zorgvuldig reed in die tijd. Toen ik op mijn zeventiende met mijn brommer en zonder helm (dat hoefde toen nog niet)achter een auto met een zorgzame vader reed zag die ineens zijn dochtertje op de stoep en volstond niet met zwaaien. Hij stopte in plaats daarvan acuut en ik niet. Knal en ik lag. Naar mijn opinie kwam ik daar goed van af. Ik reed naar huis, vergat het en vervolgde het leven. Een week later zat ik in de les duits toen de leraar onverhoeds van positie veranderde en horizontaal aan zijn lessenaar zat. Ik vond dat zeer vreemd en nog vreemder dat hij tegen mij begon te roepen. Tien minuten later zat hij weer horizontaal, nu andersom, en ik vond dat zo mogelijk nog vreemder, waarna hij mij buiten zette en beval naar huis te gaan. Op de weg terug belandde ik tot driemaal toe met brommer en al in de sloot, maar ik kwam toch thuis. Mijn moeder vond mij wederom erg vervelend, zoals ze dat zei, en sleepte me uiteindelijk mee naar de dokter – ik misdroeg me voegde ze me onderweg toe, ‘het hele dorp keek’. De dokter toonde mij zijn vinger, zwaaide daarmee heen en weer en ik ging onderuit, en vrij snel daarnaa met veel geloei naar het ziekenhuis waar een hersenbloeding, c.q. prop werd vastgesteld.. Geen ge-opereer en 10 weken plat en ik was weer als vanouds behalve dat ik jaren lang niet links achterover heb kunnen kijken zonder om te vallen.
De lijst is lang geworden voor een enkel simpel argument, maar dat is wel nodig om mijn punt te maken: als de statistieken beweren dat , zeg 10 percent van de gevallen maar fout gaan, hoe verklaar ik dan mijn historie waarin vrijwel alles (met 1 uitzondering) fout ging, behalve daar waar de medici besloten niets te doen?
Ben ik de exceptionele uitzonderlijke pechvogel, de uitzondering die de regel bevestigt dat medische ingrepen succesvol zijn?
Ik vrees van niet. Niet zozeer enkel omdat mijn geliefde van de laatste 32 jaar ook 2 keer bijna om het leven kwam door fouten van medici. Ook niet omdat ik van overal om mij heen tientallen dito verhalen in mijn leven hoorde, en zelfs de statistiek met zijn twijfelachtige bewijskracht toch altijd nog reden genoeg is om bij dit soort cijfers de wenkbrauwen te doen optrekken
Het probleem zit hem in de struktuur van de medische wetenschap, preciezer in de wijze waarop zij zichzelf definieert. Heeft medisch ingrijpen iets van doen met wat wij ‘beter’ noemen? Neem mijn voorbeeld: 7 geslaagde ingrepen aan mijn voet laten mij met een misvormde en niet betere voet. . Een geslaagde ingreep aan mijn hand laat mij met een gevoelloze en niet betere hand.. Het gaat mij niet om de representativiteit van de voorbeelden, maar om de techniek ervan. Een ingreep wordt geslaagd genoemd als de medicus voor zich ziet wat hij beoogd heeft. Dat beoogde resultaat heeft op zichzelf niets te maken met een betere levenskwaliteit van de patient: die is er niet beter mee af. Als iets medisch geslaagd heet is het niet beter, alleen anders. Een ingreep leidt tot verandering, het is een interventie in het menselijk bestaan, maar daarom is het nog geen verbetering. Medici stellen interventies automatisch gelijk aan verbeteringen, simpel omdat de verandering die ze beoogden tot stand kwam.
Dat leidt uiteraard tot de vraag waarom medici dat dan niet of nauwelijks zouden zien. Ik denk dat ze dat niet zien door de wijze waarop ze bijvoorbeeld medische dossiers in elkaar steken. In het mooie dossier dat je wel over mij zult krijgen vind je cijfers, labotests, diagnoses en eventueel meldingen van doorverwijzingen, ziekenhuisopnames en rapporten van specialisten. Knip, knip, knip, stukjes, fragmentjes uit het leven van Maarten. Maar niet Maarten zelf. Die is daar niet in jouw dossier, niet geheel, en niet in representatieve delen. Met mijn dossier weet je niks. Er is geen verklaring voor de herhaling van operaties, ook niet voor de bijkomende problemen aan longen, allergien en hartproblemen. .Verbanden kun je enkel veronderstellen maar er niet zien.. Dat veel van mijn ongelukken te wijten zijn aan gebrekkige motoriek wat een levenslang probleem is staat niet in dat dossier omdat geen enkele medicus dat interesseert aangezien het geen medisch probleem is. Dat mijn cholesterol zeer erfelijk en dus ongeneeslijk is staat niet in het dossier en had je alleen kunnen weten als je mijn geschiedenis en mijn omgeving kent.. De biotoop van een mens bepaalt niet alles maar wel veel, en niets van die biotoop komt in het dossier. Ook het holisme ontbreekt geheel, wat zeg ik, wordt bewust ontkend, een negationisme dat strafbaar zou moeten zijn, omdat het juist de heelheid in de mens is die de samenhang tussen syndromen boven tafel haalt..
De medische wetenschap komt in feite niet verder dan een grootschalig reductionisme: mensen worden teruggebracht tot incidenten, cijfers en van hun biotoop gescheiden rondwandelende biefstukken. En in die context is het dan inderdaad volstrekt onmogelijk om vast te stellen of iemand ‘beter’ is na de interventie.
Dat brengt ons aan onze laatste vraag: waarom is dat zo?
De oorzaak zit in de functionaliteit van het medisch beroep zelf. Verbetering werd in voorhistorische tijden wellicht van de goden verwacht, in latere tijden werd de rol van het ‘verbeteren’ meer aan mensen, zij het priesters, zij het medici toebedeeld. Essentieel aan die vaststelling is niet dat er rolbekleders kwamen, die dat deden, maar dat de verbetering werd uitbesteed. De verbetering moest worden verworven buiten de mens zelf om, of het nu was door gebed of door inkoop. Het was een elk geval een dienst die aangeschaft kon worden. Dat idee, dat ‘verbetering’ een ding is, een object, dat je naar je toe kunt halen door er iets voor te doen of te geven, is buitengewoon funest geworden voor de vervulling van het eigenlijke doel van de medische wetenschap. Het bestaan van het etiket ‘medisch’ is tot een strategie geworden om de verplichting tot zelfzorg van je af te schuiven: de verbetering was immers te koop. En aan de andere kant kon de medicus op straffe van de loochening van zijn eigen bestaansrecht niet anders dan de verbetering claimen op voorhand. Kwam de patient niet immers daarvoor bij hem, was het niet immers verbetering die hij wilde kopen, zou hij niet bedrogen zijn als de medicus zou stellen dat het op zich niet een verbetering was? ‘Beter’ is de essentie van ‘medisch’!
Maar als dat zo is, als medische wetenschap en de beoefening ervan een instituut is geworden, waarvan de diensten vanzelf en per definitie ‘verbetering’ betekenen, wat zou er dan beter kunnen verkopen dan dat? Een auto, die per defintie beter is dan andere auto’s , zal toch altijd beter verkopen dan die andere, een kaas die per definitie de betere is zal toch altijd meer verkopen en een oneindig oprekbare prijs hebben. Juist door de essentie van invulling van het medische beroep als levering van ‘verbetering’ is de grootste groeiindustrie ontstaan die er maar denkbaar is. Dat is dan ook waarom de farmaceutische industrie de industrie van de toekomst is: zodra zij een ziekte als ‘bestaand’ kunnen kwalificeren, of het nu een griep, een depressie of een varkenskwaal betreft, is hun produkt al verkocht: het is per definitie ‘verbetering’. De medische zorg is een grotere successtory dan Coca Cola: ‘verbetering’ hoeft je voorkeur niet te zijn, je bent aan jezelf verplicht het af te nemen. Het is je reinste gedwongen winkelnering die de medische industrie bedrijft, de patienten kunnen er niet onderuit en zijn eraan onderworpen.
En, zul je waarschijnlijk denken, wat dan? Geen medische zorg lijkt ook niet echt een vooruitgang.
Dat is dan ook niet wat ik bepleit. Maar wel zou ik willen vragen om een terugbrengen van de medische sector tot wat het eigenlijk is: het tot stand brengen van een zorg voor de mens die twijfelachtig moet zijn, zoals onze voedingsmiddelen in de winkels van twijfelachtige kwaliteit zijn en onze auto’s twijfelachtige vervoermiddelen zijn. Al die producten en diensten zijn niet bij voorbaat goed, sterker, wij hebben de plicht aan hun kwaliteit te twijfelen omdat ze anders nooit echt beter kunnen worden. Wij patienten mogen niet twijfelen aan de verbetering die de medische wetenschap brengt, wij moeten eraan twijfelen.. Wetenschap, als die bestaat, is twijfel en is systematiek van de twijfel.
Dus Ine, als je mijn dossier binnen hebt en het om wilt zetten in –de term alleen al!!- ‘voorschriften’, weet dan dat ik twijfel en vind dat jij dat met mij moet doen.
Maarten van den Oever Antwerpen 27-4-2010
[1]Dehue Trudy, de depressie-epidemie, uitg augustus,Amsterdam 2009
[2]Kuhn Thomas,De struktuur van wetenschappelijke revoluties,Amsterdam,1979
[3]Fisk Robert, De grote beschavingsoorlog,amsterdam,2005
[4]Elias Norbert, het civilisatieproces,uitg Spectrum,Utrecht 1982
Essaouira 18-2-2011
Beste Ine
Nu ik mijn brief aan jou van eertijds weer teruglees begin ik me zowaar toch wat schuldig te voelen. Niet dat ik je nu echt wat heb aangedaan of tenminste niet willen doen. Maar het is ook weer niet geweldig lief van me om je op te zadelen met het advies in twijfel te verzinken zonder enig idee van hoe daar weer uit te komen. Misschien is twijfel wel een goed begin om echt ergens te komen maar een oplossing ??
Ik geef toe dat zonder enig begin van opsporing van de oorzaken van de problemen je niet echt geholpen bent. (is het mijn taak jou te helpen? Jij zult waarschijnlijk zeggen van niet, en ik vind nu juist principieel van wel). Dus wil ik het wagen met jou na te denken wat er eigenlijk mis gaat.
Allereerst moeten we dan toch eerst kijken naar de vraagstelling van de medische wetenschap, want , zoals je weet, kun je niet meer uit de antwoorden krijgen dan je vraagt: de vraag stellen is hem beantwoorden. Het is uiterst moeilijk om een vraagstelling te vinden die alle artsen zullen onderschrijven, maar,komaan, laten we maar uitgaan van een regel die geen arts tegen de haren in kan strijken, de eed van Hippocrates. Niet dat die overal in gelijke mate of in gelijke bewoordingen geldt, integendeel. Maar om ook die valstrik te mijden zullen we de belgische versie[1] als uitgangspunt nemen. Die is in het nederlands gesteld zodat zelfs de walen er niet van kunnen worden beschuldigd er valse elementen in gesmokkeld te hebben.
Ik ben zo vrij daar enkel de regel uit te halen die als omschrijving van de kern van de beroepsactiviteit gezien wordt: “ Ik zal de gezondheid van de patient als mijn voornaamste bekommernis beschouwen. “ . Dat is dus het doel van de beoefening van de medische wetenschap de gezondheid van de patient.
Wat is dat? Laat ik even weg blijven van de vraag naar de metaphysische omschrijving van het begrip gezondheid, want dan zou vrijwel elke omschrijving afbreuk doen aan een complete inschrijving van alle facetten. Nee, voor de aardigheid richt ik me eerst op de vraag “ hoeveel gezondheid” . Ik weet dat jullie voor vrijwel elke conditie normen aan leggen: zoveel graden lichaamstemperatuur, zoveel punten bloeddruk, zoveel punten cholesterol, etc. Maar dat zijn de metingen op een meetlat, en het belangrijkste van een meetlat is dat we allemaal weten dat er een begin- en een eindpunt opzit, zodat we met een getal op de lat weten hoeveel we van het begin en hoeveel we van het eindpunt zitten. Die twee punten zijn bepalend voor de betekenis van het gemeten punt, zo denken we toch.
Is dat eigenlijk wel zo? Om te illustreren wat ik bedoel moet je even denken aan een toestand die je je niet kunt voorstellen waarschijnlijk maar die niettemin wel heeft bestaan, n.l. de situatie waarin er een wiskunde is zonder nul. Dat was zo tot de zevende eeuw toen een vroege opvolger van mohammed in zijn zetel te bagdad een aantal hindugeleerden uit ArIn (in India) liet komen om hem iets duidelijk te maken dat hij niet begreep:het bestaan van het getal nul[2]. Daarvoor telde men wel maar de conceptie van een idee van niet-heid, van niet bestaan voorafgaande aan het eerste punt van het wel bestaan was ongehoord, een doorbraak in het islamitische wetenschapsbeeld. (voor de goede orde: de islamitische wetenschap fundeerde de westerse wetenschap waar de medische deel van uitmaakt en niet omgekeerd). Nu, laten we dat eens nader bekijken: is een nulpunt, anders dan filosofisch gedacht, wel denkbaar? De hindugeleerden hadden het concept van het nulpunt waarschijnlijk door de contemplatie a la Boeddha ontdekt: leegheid of nirwana vooronderstelde de afstand van alle materie, dus een gedachte leegheid of nietheid. Maar niet zijn is in materie gedacht wel een mogelijkheid(er bestaat negatieve materie) maar niet in termen van cultuur-inherent denken: ook het nietzijn is een zijn. De wiskundige nul is een fictie, overgenomen uit de filosofie, maar geen bestaande mogelijkheid. Nul bestaat niet. (ik kom hier elders op terug in een tekst geheten “Van nul tot alles, over de grenzen van de eindigheid”)
Nu, vertaald naar medische wetenschap betekent dat dat het vooronderstelde nulpunt er niet is. We hoeven dan niet eens hier in te gaan op het vooronderstelde ‘alles-punt’ om toch nu al dan te kunnen vaststellen dat de bepalingen op schalen niet absoluut kunnen zijn: als we de gezondheid meten in punten weten we eigenlijk niet waar het gemeten punt zich bevindt, hoever we van een mission-accomplished-positie verwijderd zijn of hoe dichtbij we er bij zitten. De positie van onze gezondheid is per definitie zwevend, is een redelijk willekeurig punt op een continuum, d.i. een meetlijn zonder begin- of eindpunt.
Goed, maar dat gegeven zijnde kunnen we ons opnieuw afvragen over welke bekommernis het de medicus precies dan gaat. Ook al is er geen eindpunt en geen beginpunt, wellicht is het dan mogelijk een optimaal punt, een zogeheten optimum te formuleren. Een optimum is dan een punt op het eerder omschreven continuum van niet gezond tot wel gezond waarvan we niet een absolute betekenis kennen, omdat er geen begin- of eindpunt is waaraan we de betekenis kunnen relateren. Wat is eigenlijk het optimum waarnaar het streven is door de medicus.?
Omdat dat geen absoluut gegeven is gaan we te rade bij de historie van het medisch bedrijf.
Er is al ontzettend veel gepubliceerd over de historie van de ziektes en ziektebeelden. En daaruit blijkt steeds weer (zie o.m. Foucault [3] e.a.) dat in de historie er erg veel evolutie in de waardering van lichaamsfenomenen zit, vrij vaak resulterend in de opwaardering van een voorheen onschuldig fenomeen tot een ziekte. Meer recentelijk heeft Trudy Dehue in haar boek “ Over de depressie-epidemie” in een aantal onthullende hoofdstukken nog eens een ontnuchterend boekje open gedaan over de wijze waarop de medische wereld, en in haar spoor de farmaceutische wereld, er steeds in slagen ziekten uit de grond te stampen, al dan niet met goede redenen. Ziektes komen en ziektes gaan. Het nulpunt op de schaal van gezond naar ongezond blijkt een erg fluctuerend gegeven, en daarmee de omschrijving van het optimum op diezelfde schaal ook.
Mogelijk, beste Ine, vind je al deze redenaties ver van je dokterspraktijk. Maar als die grieppatient die bij je komt niet als ongezond zou worden omschreven maar als gezond, zou hij misschien op eigen kracht genezen en daardoor er sterker uit komen dan tevoren. Misschien houden de medicijnen de patient zwak omdat zijn weerstandsvermogen niet aangesproken wordt. Misschien ook is adhd niet zo ‘ziekelijk’ als het lijkt, en zou de patient veel meer geholpen zijn door hem in een gewone leefgroep te integreren dan door hem als zieke af te zonderen? Dat is allemaal ‘misschien’ , ja zeker, dat geef ik grif toe. Mijn probleem is dat jullie stelligheid van het tegendeel ook enkel ‘misschien’ is.
Want inderdaad, wie de vraag stelt bepaalt het antwoord: Als een mens een been breekt is hij ongetwijfeld gelukkig als het weer aan elkaar zit en hij erop kan lopen. De vraag naar wat hier gezondheid is lijkt eenduidig: aan elkaar die hap en lopen. Maar dan de medische praktijk: geslaagde operatie is niet kunnen lopen maar been gezet, wond dicht en operatiekamer in levende lijve uit , dat is geslaagd. Idem dito voor een griep: medicijnen erin, koorts eruit, klaar is kees. Quod non. Het medisch handelen zit gevangen in de ban van het zelf-omschreven optimum.
En dat optimum ligt niet vast maar schuift. Was men bij de opkomst van de medische wetenschap in de zeventiende en achtiende eeuw al redelijk tevreden als men de ergste physieke problemen kon verhelpen,anno nu moeten leeftijden tot in de 80 jaren toch als minimaal haalbaar omschreven worden , zij het dan via een heel andere pakket van maatregelen dan in vroeger tijden. Ook al is de vooruitgang van de algehele gezondheidstoestand eerder te wijten aan de opkomst van de zorgmaatschappij dan aan de toepassing van de medische techniek, het is wel de medische discipline die zich de omschrijving van ‘ gezondheid’ als monopolie heeft toegeeigend en meent er de grootste bewerker van te zijn. Het is de medische wetenschap echter ook die blind blijft voor haar eigen rol in de bepaling van de gezondheidsmarkt: door haar voortdurende ingreep in de physieke toestand van de bevolking neemt de werkzaamheid van medicijnen af samen met de weerstand van de bevolking: een boomerang-effect. Door het opdrijven van het medisch ingrijpen kan dit tijdelijk tegengegaan worden, maar feitelijk zal het gezondheidsoptimum in de toekomst vanaf een gegeven punt verlaagd moeten worden door de verzwakte staat van de mensheid: we schuiven dan terug op ons eerder omschreven continuum.. En dan staan we aan het eind van een cyclus - op- en neergang van het medisch ingrijpen- waarvan we de zinvolheid ter discussie kunnen stellen.
Laten we die diskussie over de medische meetlat even laten voor wat het is en ons eens wenden tot een ander denkpatroon dat de medische wetenschap beheerst: het causaliteitsdenken. Grof omschreven is dat de gedachte dat een gegeven oorzaak leidt tot een gegeven gevolg dat er zonder die oorzaak niet geweest zou zijn. Anders dan je zou denken is dat eigenlijk niet van zulke grote ouderdom. Wij in europa vinden het aangenaam om de opkomst van de medische strikte wetenschap toe te schrijven aan de grieken, maar ik verzeker je dat het succes van jullie hippocrates in zijn medisch opvangscentrum voornamelijk te wijten was aan het feit dat hij van zijn patienten afbleef en niets te maken had met medische ingrepen. Ook bij Aesculapus, die arts waar jullie symbool vandaan komt, was het niet anders: zijn slang was niet geneeskrachtig maar domweg veel aanwezig op de plaats waar zijn opvang gevestigd was, en het zijn de romeinse legio nairs die europa binnenmarcheerden die deze slangensoort daar verbreid hebben omdat ze er magische krachten aan toe kenden.
Nee, de grieken en romeinen kenden wel chirurgie, maar het geneeskundig effect mag in twijfel getrokken worden. Dat was anders met de arabieren, die wel degelijk een grote hoeveelheid medische kennis verzamelden en dat via de grensplaatsen tussen islamitisch oosten en christelijk westen (Cordoba in Spanje en Syracuse op sicilie) aan eenzame westerse natuurfilosofisch georienteerde geleerden doorgaven in de tijd tussen 1050 en 1350 . En die kennis leidde niet tot een effectief opererende medische wetenschap, integendeel. De anatomische lessen, zoals we die van de schilderijen kennen, die vanaf de veertiende eeuw op wat grotere schaal in zwang kwamen, gaven wel aanleiding aan zich medicus noemende lieden om zich over te geven aan uitgebreide filosofische beschouwingen maar leidden niet tot een effectieve medische aanpak. De praktijk lag eerder in de richting van situaties waarin een medicus, indien hij bij een zieke geroepen werd, daar een uiterst doordachte meditatie ten beste gaf over de aard van de volgens hem betrokken sappen en de mate van vergiftiging daarvan, waarna de chirurgijn ter plaatse werd geroepen om het nodige bloed af te laten, een handeling die niet altijd zonder risicovolle gevolgen bleef . Het was daarom eerder zo ([4]) dat het gewone volk tot laat in de zeventiende eeuw zich om gegronde redenen liever tot gebedsgenezers en tovenaars (die dan ook lang niet altijd een slechte reputatie hadden) wendden dan tot de medici: het risico was kleiner en de overlevingskans was groter. Nee, aan het succes van haar behandelingen was de opkomst van de medische wetenschap echt niet te wijten.
Die opkomst kende een andere oorsprong, die eerder lag in de verandering van het maatschappelijk denken welke juist in de universitaire centra zijn beslag kreeg, en waarvan de beoefenaars van de medische (en dus ook filosofische in die tijd) wetenschappen een centraal deel uitmaakten. Ik zal het je niet aandoen om hier de hele evolutie van religieus denken over het lichaam en de medische wetenschap naar natuur-filosofisch denken over hetzelfde onderwerp te schetsen. Het volstaat hier om vast te stellen dat de natuur-filosofie in essentie de samenstelling van natuur en lichaam bestudeerde als uitingen en bewerkingen van gods wil. Het grote probleem van mensen als Darwin en anderen in hun tijd was niet dat ze niet mochten beschrijven wat ze vonden, maar dat het beschreven diende te worden als uitingen van gods werk (wat natuurlijk bij darwin qualitate qua onbegonnen werk was). De natuurfilosofie kende dus vanuit haar wezen geen oorzakelijkheid omdat die gegeven was; zij kon slechts beschrijven, eventueel erin vervatte principes beschrijven, maar alles als een gegeven, niet als een bewerktheid.
Aan die fundamentele bovenstroom van het maatschappelijk denken werd geknaagd op veel fronten in de zestiende en zeventiende eeuw. Enerzijds door de intern-religieuze revoltes ingegeven door een emanciperend burgerdom dat zich de wereld meer en meer kon ontwerpen, anderzijds door de opkomst van denkbeelden die onweerlegbaar in strijd waren met de door de kerk getolereerde omschrijving van de natuur. Kort gezegd: de natuur was niet zo als de kerk als bijbelse waarheid aannam, en bovendien was de kerk niet meer onomstreden als bekrachtiger van waarheden. In die context komt het cartesianisme niet als een donderslag bij heldere hemel: als er geen goddelijke kracht meer is achter de fenomenen om ons heen, als god die niet bewerkt, wie of wat doet dat dan wel. De vondst van descartes was niet zozeer dat hij de mens als een bron van zijn gedachten kwalificeerde als wel dat hij oorzakelijkheid als motor van de werkelijkheid aanduidde: fenomenen werden veroorzaakt en waren niet aanwezig omdat ze gegeven waren. De jacht op de oorzaken werd geopend omdat er oorzaken achter alles verondersteld konden worden. Dat daarnaast dit geloof in de oorzakelijkheid omgezet werd in een dwaas belijden van de rationaliteit doet hier even minder ter zake. Belangrijk voor ons in dit kader is dat daarmee het beloeren van dode lichamen werd afgelost door een hartstochtelijk erin spitten om de processen achter de werking te vinden. In nederland was Boerhaave daar een vooraanstaand pionier voor de medische wetenschap in, en zijn nieuwe anatomische lessen trokken dan ook een geweldige internationale belangstelling. Onder die belangstellenden bevond zich De la Mettrie, die als medicus maar ook als filosoof (toen nog gebruikelijk als combinatie) ‘L’ homme Machine’[5] schreef, een titel die ondubbelzinnig demonstreert hoe mechanisch-causaal het mensbeeld van de medische wetenschap daar werd ingezet. Heel het boek van De Lamettrie is doortrokken van beschrijvingen van ziektes en physieke fenomenen met daarvoor verantwoordelijke oorzaken. Het causaal rationeel denken verschafte een kader dat de medische wetenschap het ultieme antwoord op alle vragen gaf (hij had het overigens opmerkelijk vaak mis). De glorieuze overwinning van het eenzijdig rationalistische verlichtingsmodel a la De Lamettrie gecombineerd met het fascistisch-romantisch totalitarisme van Rousseau vormde vanaf de negentiende eeuw de basis voor een paternalistisch verzorgingsoptimisme in de medische wetenschappen voor de komende tweehonderd jaar.
Het resultaat was het waandenkbeeld van de volledige gezondheid, een idee fixe dat ons zou gaan beheersen.
Waartoe leidt ons nu dit historisch uitstapje? Allereerst tot de vaststelling dat het denken in rationele causaliteit een wellicht te overheersende rol speelt in de medische wetenschap. De medische wetenschap is gespitst op de toepassing van causaliteit. Men dient een middel toe om een effect te bereiken. Maar daarbij gaat het allang niet meer om de gezondheid van de patient maar enkel om het effect op zich: oorzaak-gevolg is het enige wat telt. Illustratief , Ine, vertel ik je even wat me overkwam in mijn contact met de specialist die ik mijn problemen met de statines (ik verdroeg de bij-effecten niet) voorlegde, zoals je had voorgesteld. Hij had na mijn verhaal maar een tegenvraag: ging de cholesterol naar omlaag? Toen dat zo bleek te zijn legde hij bijna op, als ik hem niet had tegengehouden. Het is als met die chirurgen die een succesvolle operatie doen en de schaar vergeten uit een buik te halen: ‘dat doet er toch niet echt toe, de ingreep was immers geslaagd’. Het object van de medische wetenschap is in werkelijkheid al lang niet meer de bekommernis om de patient maar de bekommernis om het resultaat van de medische handeling; de medische wetenschap ziet de patient al lang niet meer, maar enkel het effect van de ingreep. Daarom is het niet zo verwonderlijk dat ik je zo een mooie lijst van ‘geslaagde’ ingrepen op mij van artsen in mijn eerste brief kon sturen: wat de artsen betreft waren ze geslaagd, voor mij waren ze jammerlijk mislukt.
De fixatie op oorzaak en gevolg maakt blind voor het holisme: men ziet het effect op de totaliteit niet
Maar dan stelt zich natuurlijk wel de vraag naar het waarom, waarom is deze disciplinaire blindheid ontstaan?
In elk geval een deel van het antwoord kan gevonden worden in de paradigmatheorie van Kuhn[6]. Die stelt dat elke wetenschap beheerst wordt door een aantal basisthesen, zeg maar stellingen over de werkelijkheid die object is van de wetenschap en die elk een aantal uitspraken bevatten waarbuiten de wetenschap niet bereid is te denken. Kuhn doelt daarmee eigenlijk op de stellingen die operationeel gelden in een wetenschapsgebied, zoals bijvoorbeeld in de medische wetenschappen die over de basiswerking van organen, de genentheorie e.d. Ik ga hier, voor mijn behoefte uit van dieper daaronder liggende stellingen die niet zozeer betrekking hebben op de operationele regels binnen een bepaald kennisterrein als wel over de regels die gelden voor de werkzaamheid in methodische zin op dat kennisterrein; anders gezegd, mij gaat het om het basisparadigma van de methodiek van het vak en niet om het inhoudelijk paradigma. Die basis bevat tenminste de opvattingen dat verschijnselen separaat bekeken moeten worden (ook al passen ze in een syndroom met andere verschijnselen), dat ze eendimensionaal causaal behandeld moeten worden, en dat de behandeling geslaagd heet als het ongewenste verschijnsel verdwenen is, en dat die post-therapeutische situatie gelijk staat aan het gezondheidsoptimum.
Wat zegt Kuhn nu over die paradigma’s? Hij stelt dat de wetenschap (in zijn studie gaat het over natuurkunde) zich een periode in een stabiel paradigma zal opsluiten . De wetenschap doet dat door diegenen als wetenschappelijk te kwalificeren die het heersende paradigma volgen en diegenen die het paradigma niet volgen als onwetenschappelijk te kwalificeren. Om die legitimiteitsbarriere te handhaven monopoliseert men de toegang tot vakbladen, congressen, besturen en wat dies meer zij, maar vooral maakt men veelvuldig gebruik van de toegang tot financieringsbronnen (de geldstromen van universiteiten, onderzoeksintstituten en -in het geval van de medische wetenschap- van medisch-technologische en farmaceutische bedrijven) om met behulp van de verdeling van middelen de richting van de ontwikkeling te sturen. Voor Kuhn is dat niet per se negatief, omdat naar zijn overtuiging steeds het moment van de waarheid komt waarbij onontkoombare afwijkende onderzoeksresultaten het paradigma zullen openbreken en door een nieuw paradigma zullen vervangen.
Ik denk nu dat dit heersende paradigma van de medische wetenschapsmethodiek , zoals hierboven kortweg getypeerd, problemen bevat die ervoor zorgen dat de werking van de medische wetenschap schadelijk kan zijn naar patienten toe.
Een illustratie voor die stelling zag ik nog niet zo lang geleden in een artikel in de Standaard[7] over een zekere dokter Francis Coucke. Mij interesseert het maar matig wat deze mijnheer beweert en ik heb zo mijn twijfels bij het Chronisch vermoeidheidssyndroom dat hij alternatief behandelt.. Maar wat mij interesseert is de reactie van de orde van Geneesheren op het optreden van deze dokter. Zij betwisten de legitimiteit van zijn therapie omdat die niet wetenschappelijk zou zijn, in concreto omdat hij cortisone geeft waar de orde vindt dat gedragstherapie moet worden toegepast.
Let wel, de orde betwijfelt niet dat de dokter resultaat boekt. Zij betwijfelt evenmin dat de patienten er baat bij hebben, maar zij wil deze behandeling en deze resultaten niet omdat die niet in het kader van de door haar voorziene oorzaak-gevolg reactie past. Het is een rechtstreeks beroep op het methodisch paradigma van de medische wetenschap dat hier tot de rechtvaardiging van de blokkade van de beroepsactiviteit van deze dokter leidt. Natuurlijk wordt de dokter ‘onvoorzichtigheid’ verweten, want hij handelt tegen de gewoonte –lees het paradigma- in (dixit prof van Houdenhove), maar explicieter nog stelt internist prof Blockmans: “Wat sommige dokters ook beweren, in de wetenschappelijke literatuur is iedereen het erover eens : CVS is een psychosomatische aandoening, punt uit. …………… Dokters die dat omkeren zijn kwakzalvers, ook al hebben ze een diploma op zak.” Natuurlijk is dit, het citeren van de bestaande consensus, het slechts mogelijke argument tegen een aanval op een heersend paradigma. Niet de bestaande overeenstemming kan een grond zijn voor een tegenargument maar enkel inhoudelijke bezwaren tegen de voorgestelde alternatieve werkwijze. Dat is al eerder gebleken, bijvoorbeeld in de afgang van het paradigma over depressie zoals de amerikaanse organisatie van psychiaters/psychologen had geformuleerd in [8]., en die inmiddels onder druk van de werkelijkheid moest worden herroepen.
Wat de paradigmatheorie leert is dat het juist wenselijk is dat het heersende paradigma voortdurend im frage gesteld wordt,enerzijds om de kracht van de alternatieven te testen, anderzijds om het risico van invriezing van het heersende paradigma te voorkomen. In dat kader wordt wel eens de vergelijking Kuhn-Popper (The open society and its ennemies)[9] getrokken. Daar waar Popper een en een ondeelbaar teorema tot heersend paradigma verklaart, waardoor hij feitelijk zijn open samenleving maakt tot een met een zeer gesloten denkkader, opent Kuhn door zijn theorie van de shiftende paradigma’ s de waarnemer de ogen om juist gezichtspunten te willen zien die buiten het heersende paradigma liggen. Die open mind is een noodzaak, niet een luxe, wil een kennissysteem niet een gevaar in plaats van een heil voor zijn gebruikers worden.
Hierdoor komen we bij het volgende : als beoefenaren van een wetenschap, zoals de medische, zich zo opsluiten in methodische zekerheid is het de vraag waaraan zij die zekerheid ontlenen. Is er plots een archimedische hefboom ontdekt, is de sleutel tot absolute waarheid gevonden, en zijn alle revelaties uit de kwantummechanica plots teruggebracht tot quatsch? Want zo lijkt de opstelling van de medische wetenschap wel te zijn, gezien bijvoorbeeld mijn persoonlijke ervaringen. Natuurlijk ben ik me er wel van bewust dat er binnen het medisch wetenschapsterrein wel degelijk discussies gevoerd worden, ook discussies die het functioneren van de medische wetenschap wel eens im frage stellen. Mij gaat het echter om de houding van het medische systeem als geheel, de houding van een onverzettelijk en absoluut geldend paradigma dat alle invloeden van buiten het geldende kader als niet ter zake doend buitensluit., niet op basis van argumenten, maar enkel op basis van het bestaan van haarzelf, haar priesterschap als ik het zo mag uitdrukken, als zodanig. Omdat de medische wetenschap het stelt, moet de buitenwereld accepteren en niet om wat ze stelt. En natuurlijk zal geen enkele autoriteit in de medische wereld dat epistemologisch verdedigen maar het is wel een feit in de medische methodiek en de medische praktijk.
Laten we nu eens terugkijken naar wat we hebben vastgesteld. Ten eerste hebben we gezien dat de medische wetenschap een object heeft, het gezondheidsoptimum, dat zij zonder determinanten en dus naar willekeur bepaalt. Ten tweede hebben we gezien dat het heersende paradigma van de behandelingsmethodiek in de medische wetenschap getypeerd wordt door een causaal eendimensionaal therapiemodel . En ten derde stellen we nu vast dat de verdediging van dat heersende paradigma absolutistische trekken is gaan vertonen: de medische wetenschap functioneert als een ‘waarheid’ dragend instituut.
De conclusie kan niet anders zijn dan dat de medische wetenschap mij heeft ingekerkerd, een kerker waarvan de muur het door haar opgerichtte gezondheidsoptimum is, en waarvan de deur en de sleutel bij haar beoefenaren berust in de vorm van haar methodisch paradigma.
Zulke gevolgtrekkingen lijken gelijk te staan aan een totale diskwalificatie van de medische discipline, en dat terwijl ik het tegendeel beoog: ik zou er iets beters van gemaakt willen zien.
Als ik de stelling betrek dat medische wetenschap mij haar gezondheidsoptimum als gebod oplegt dan is de implicatie daarvan dat ik die gezondheid niet zo zonder meer als een waarde wens te accepteren. En als ik die waarde in twijfel trek, trek ik ook de waarde van mijn positie als patient in twijfel, net zo goed als de waarde van de medicus in zijn positie.
Dat gevolg moet ik onder ogen zien.
Ik zal in een volgende en -zo zou ik toch willen- laatste brief verder proberen na te gaan wat voor consequenties dat waardedebat zou dienen te hebben.
Tot dan en in de hoop je niet al te ongerust te hebben gemaakt over mijn geestelijke, laat staan mijn physieke gezondheid
Maarten van den oever .
[1] Wikipedia, de eed van Hippocrates, van de belgische orde van geneesheren,ongewijzigd sinds 1994
[2] Lyons Jonathan,Hewt huis der wijsheid,uitg EPO, 2009, Antwerpen,pg 67 en 109 e3 e.v.
[3] O.m.:Foiucault Michel, Geschiedenis van de Waanzin,Boom,Meppel,1975
[4] Hannam james,Gods filosofen,Amsterdam 2002,hdst 7
[5]www.gutenberg.org, Julian Offray de Lamettrie,de men seen machine, Boom, Meppel ,2007
[6] Zie Kuhn ibidem
[7] De Standaard, 24 januari 2011, pg 18/19
[8] Door de APA in de jaren zeventig, dixit Trudy Dehue
[9]Popper karl, The open society and its enemies,Uitg Routledge,London 1945
Essaouira 22-2-2011
Beste Ine,
Toen ik mijn laatste brief aan jou afsloot dacht ik:” dit gaat haar veel te abstract worden; pijn is pijn en daar doe je gewoon iets aan, een andere optie dan de medische behandeling is er niet.” Ik kan me die reactie wel voorstellen, maar toch ……………! Ik zal je eens een kleine historie vertellen uit mijn eigen leven. Zoals je weet heeft Miek neuralgia hortonnaise, ofwel clusterhoofdpijn. Die kwaal, die ze zo fraai suicide disease als volksvertaling hebben meegegeven, heeft een karakteristiek patroon. Een aanvalsperiode duurt gewoonlijk 12 weken (als de ziekte tenminste episodisch is; als hij chronisch is heb je heel wat meer pech). De medische wereld kan daar , zo weet ik nu, niet meer aan doen dan de pijn verzachten. Maar wij liepen tegen de pech aan een dokter te ontmoeten die zich niet enkel een priester maar meer een god waande. Hij verzekerde ons dat hij het bij opname in het ziekenhuis binnen enkele weken ‘ op orde ‘ zou hebben en dat Miek het ziekenhuis dan glimlachend zou verlaten. Maar omdat dat naar zijn idee nog niet nodig was en er een nieuw wondermiddel was(daarbij ging een grote lade vol medicijnen naast zijn bureau open)zou dat niet eens hoeven. We gingen met de almogran, het wondermiddel in kwestie,naar huis, en inderdaad, bij de eerste week aanvallen (dat gebeurde zo’ n drie keer per dag) kon de pijn binnen 20 minuten gestopt worden, een onvoorstelbare luxe na de weken pijn die ze gehad had. Maar de aanvallen bleven wel komen, niet enkel 12 weken, niet enkel 24 weken, en niet enkel 48 weken,en niet enkel 70 weken. En de pijn werd niet minder, die werd erger en erger en erger. Ik weet niet echt hoeveel mensen kunnen lijden, en dus kan ik niet met grond zeggen dat er niets ergers is dan dat. Maar ik kan me wel niet voorstellen dat er iets ergers is dan dat. Een mens die constant gilt van pijn, die haar hoofd onder de kussens verbergt en dan weer bijna tegen de muur slaat, die uren schommelend en huilend rechtop en verstijfd in haar bed zit. En niet 1 keer , niet 2 keer maar vaak 5 tot 8 keer per dag met pauzes tussen de aanvallen van een half uur, zodat de volgende aanval des te harder zou aankomen. En die je dan uitgeput aankijkt en vraagt naar het waarom. Het was gewoon een verschrikking. Dagen heb ik vol angst naar het gegil en gehuil geluisterd, beseffend dat dit leven een hel was. Jij zult dan zeggen: “het maakt dan toch wel verschil voor haar , om het wel of niet te hebben”. Ja, natuurlijk ja, maar de werkelijkheid is dat jullie fictie van gezondheid haar vasthield in een hel. Zij moest dat doorstaan, wij wisten niet beter dan dat er geen optie was dan doorgaan omdat gezondheid en leven een heilige regel voor alle gelovigen zijn. Je verwordt samen tot 2 schichtige wezens die elkaar niet meer aan durven aankijken, niet meer kunnen vragen naar hoe het gaat Ik heb in die tijd beseft dat er wel een grens is, dat gezondheid niet het hoogste goed is, maar zoiets als bijvoorbeeld joy de vivre dat veel eerder is. Gezondheid is niet het laatste woord, elkaar als mens nog in de ogen kunnen kijken met een vleugje plezier is veel belangrijker.[1]
Mijn punt is dat gezondheid tot een menselijke doelstelling is geworden als onderdeel van de totaliteit van wat mensen willen, dus als een basiswaarde, en dat ik denk dat daar grenzen aan zijn. Het gaat er me niet om een discussie te beginnen over de zin van het leven of zoiets, want daar geloof ik toch niet zo in. Maar wel gaat het hier over de vraag waar we toch dat soort doelstellingen vandaan halen waarmee jullie ons in de boeien van het gezondheidsmodel slaan. Waarom zijn we gaan luisteren naar jullie slecht doordachte en slecht gehanteerde methodiek.?
Hier boven heb ik gezondheid heel snel een onderdeel van ‘geluk’ genoemd. Wij mensen willen gelukkig zijn en daar hoort gezondheid bij: geluk en gezondheid zijn onze telos en maken ons bestaan teleologies; wij leven in het kader van het nastreven van dat doel. Wij denken nu dat dat van alle tijden is: de grieken moeten in onze opinie ook al gelukkig hebben willen zijn, en de oude chinezen en alle anderen die voor onze jaartelling bevolkten ook. Dat denken we, maar dat is niet zo. Geluk is uitgevonden, gezondheid ook.
Ik zeg dat nu zo, maar het gaat me moeilijk vallen in dit kleine kader van deze brief uit te leggen wat ik bedoel.
Het punt is dat je om onze huidige toestand te begrijpen terug moet gaan naar de toestand die aan ons huidige bestaan voorafging.
Ik zelf ben dat gaan doen door Augustinus[2] te lezen. Ik zal je hier niet doorzagen over alle boeken en opvattingen van augustinus, hoe leerrijk die overigens ook zijn. Wat mij daarin interesseert is wat voor opvatting van religie en god hij hanteert. Ik doe dat omdat in het kader van een ander onderzoekje dat ik doe religie als grond van het kennen in plaats van de wetenschap een voorafschaduwende werking op het wetenschapsbedrijf heeft, die ik wil nagaan. Maar in het kader waar we het nu over hebben is Augustinus zo belangrijk omdat zijn doel in het leven anders in elkaar zit dan bij ons. Augustinus ziet in god een complementair deel van het bestaan. God is de omgeving van het zijn, is van het zijn geen deel (omdat dat zijn almacht zou beperken, en ook geen geheel, omdat dat hem zou begrenzen en hij kent geen grenzen).. Kwaad bestaat niet, zegt hij, is niet zijn, d.w.z. de ontkenning van het goede. Voor hem staat genade centraal, genade niet zoals wat de kerk er later in de cadeautjessfeer van heeft gebakken, maar genade als een staat, een toestand. Wie in de staat van genade is, neemt deel aan de goddelijke onbeperktheid, is van de aardse verbondenheid, de verslaving aan het aardse en ijdele verlost. Je speelt bijvoorbeeld daarom ook geen toneel in het theater, want dat is enkel ijdelheid, de waanidee dat je door spel en voorstelling de beperktheid van het aardse kunt ontlopen. De staat van genade is een onthechtheid, een los komen van. In het dualisme van goed en kwaad is de teleologie voor de mens die van een ontdoen van het kwade door het goede te erkennen, de waarheid te zien. Er is hier geen sprake van geluk, enkel van verijlen, ik bedoel zich ontdoen van kwaad en zich oplossen tot wat overblijft, tot de staat van genade. (let trouwens op de parallellen met oosterse religies als bijvoorbeeld het boeddhisme). En Augustinus en na hem de hele katholieke kerk tot op de dag van heden, denkt dat de gerichtheid op de staat van genade ingebakken is in de historie van de mens. Het katholieke geloof is een eschatologisch geloof: de doelsvoorbestemdheid van de mens is erin gegeven.
Zoals je ziet is de term ‘geluk’ hier niet gevallen, ook al bestond die etymologisch wel. Sterker nog: het nastreven van geluk is in de katholieke orthodoxie gelijkstaand aan ijdelheid en dus gelijk aan het kwade. Mensen moeten helemaal niet gelukkig zijn, ze moeten juist zoals job zich zelf feliciteren als ze in miserie op de mesthoop zitten, nadat god ze ontdaan heeft van al hun welvaart, gezondheid en voorspoed. Maar precies in het bijbelverhaal bij job[3] begint het gat waar het katholicisme uiteindelijk over gaat vallen: Job weigert de goddelijke genadigheid die hem weer uit zijn miserie moet ontheffen, want Job vindt dat hoovaardig; maar juist door die weigering, precies daar ligt een punt omdat de doelen van god en job niet samenvallen. Job denkt anders, hij wil vooral vrede met zichzelf, hij weigert hoovaardig te zijn. God beloont hem dan wel door hem in al zijn heerlijkheden te herstellen, maar toch: kiezen voor de beproeving was mogelijk., het was geen kwestie van eschatologie ( historisch immanente doelgerichtheid), maar van vrije keuze.
Die beslissende stap vanaf de historisch ingebouwde doelgerichtheid naar de door mensen gewilde doelstellingen wenst augustinus niet te maken, maar hij maakt hem ongewild toch. In zijn leefregel (voor de augustijnen) en in die van latere leefregels (bijvoorbeeld de benedictijnen) wordt meer en meer gestreefd naar een zodanig na te volgen pakket van voorschriften dat daarmee het verkrijgen van de staat van genade welhaast onontkoombaar is. Men bidt god haast naar beneden. In de verschillende golven van moreel herstel in de kerk is de oplossing ook steeds weer dat de vernieuwers nog strikter en sterker in de leer zullen zijn opdat zij de genade bekomen. Zo sterk als de gezondheidswetenschap een alsmaar nauwer keurslijf van gedragsregels aanlegt om het heil van de sublieme gezondheid te bereiken, zo sterk legde ook de katholieke voorschriftendrift zich erop toe een alsmaar betere snelweg richting genade te construeren. Augustinus vond dat dus in essentie ijdel maar begon er wel zelf mee.
Wel, bij het verscheiden van de openlijke dominantie van het christelijke wereldbeeld (hoewel we natuurlijk dankzij o.m. Nietzsche weten dat dat maar relatief is) op het einde van de achttiende eeuw ontviel aan ons mensen ook de bestaande eschatologie: we waren niet voorbestemd om de genade te bereiken, sterker nog: van genade was geen sprake meer. Dat schiep een vacuum. Enerzijds konden we natuurlijk in een mechanisch wereldbeeld vervallen. Er kon geen sprake zijn van een telos omdat alle zaken een oorzaak hadden. Er viel niets na te streven omdat het enige wat juist was de rationele verklaring van alle gebeurtenissen was. Rationalisme als geloofsleer, Robespierre maakte er zijn hobby van. Maar voor de onderstroom van de verlichting, die feitelijk haar basis bleek te zijn, lag dat anders. In het denken van de grote meerderheid van de gelovigen was al ver voor de verlichting geleidelijk aan het beeld gegroeid dat welzijn, toen nog gods genade, meer en meer door eigen toedoen bereikt kon worden. Niet enkel in de protestantse ethiek maar ook in politieke bewegingen als Cromwell’ s glorious revolution gold menselijk ingrijpen in de geschiedenis als een adekwaat hulpmiddel om de eschatologie waar te maken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ten tijde van de verlichting de mensen zichzelf al zagen als de bewerkers van de staat van genade en dat deze genade meer en meer van aardse aard werd. Wat de verlichting bewerkte is dat dit streven gelegitimeerd werd: genade werd geluk, en sterker nog, geluk werd de menselijke opdracht. Want teleologisch denken bleven we doen. Een mens moet een doel hebben, dacht men toen en denkt men nog. Rousseau[4] verheerlijkte de mens in zijn van nature gegeven goedheid, maar vertrouwde hem niet zo , oh rampzalige christelijke erfenis, dat het zonder de dwang van een sociaal contract wel tot een herwinning van de gelukzalige natuurlijke staat zou komen. De mens als maat van goedheid maar in een rationeel kader. Het paradoxale trauma van de verlichting was dat het letterlijk bloedstollende echec van de revolutie voor de mensheid aantoonde dat de van nature goede mens wel aan de band van het rationalisme, de nieuwe godsdienst, gelegd moest worden. Het geluk als doelstelling werd aanvaard maar de weg er naartoe zou een rationele moeten zijn.
Geluk, gezondheid inbegrepen, werd het doel van het leven. Maar gezien alle zaken die moeilijk geassocieerd konden worden met geluk in de negentiende eeuw ontstond direct de discussie wat de inhoud en de basis van dat geluk zou zijn.
Waarin zoekt de mens het geluk? Als de mens de mens een maat is, waarom is hij dan zichzelf niet genoeg? Denis Diderot en de club van baron Holbach[5] zagen de invulling ervan dicht bij het begrip zelf: Volupte, ofwel lust, genoegen als zodanig was voldoende en essentieel voor de invulling van het begrip geluk, want geluk was niet meer dan een toestand van het lichaam; materialistischer kon filosofie nauwelijks zijn, De Lamettrie daargelaten.
Voor de filosofen van de duitse scholen van de negentiende eeuw kon het dat niet zijn. Zij schreven de mens een niet enkel materialistische dimensie toe vanuit een analyse van het menselijk bestaan als onvervuld (unvollendet). De mens als subject kon niet anders bestaan dan door zich tot de objectiviteit te gaan verhouden in een relatie die hem als het ware tot zichzelf bracht. De enkelvoudige materiele bestaansvorm was de mens an sich maar niet de ware mens. Eerst een vorm van verwerkelijking maakte de mens tot wat hij werkelijk was, daarin ontvouwde en realiseerde hij zich en ontdeed hij zich van de vervreemding die het enkelvoudig bestaan van de mens eigen is.. Geluk is zelfrealisatie om het sartriaans uit te drukken.
En evenzeer als het te bereiken paradijs het christelijk geloof tot een eschatologie maakte ontwierp de duitse filosofie, zij het in idealistische dan wel in materialistische vorm, een wereldbeeld met een eind bestemming buiten het contemporaire. Hegel en Marx schilderden de droom van een heilsstaat, een staat van zijn waarin wij mensen volledig door onze eigen volmaaktheid in de watten zouden worden gelegd; en deze heilsstaat was er niet een van het kaliber van een willekeurige utopie zoals het blanquisme of het proudhonisme, maar van een in de historie van de mens ingebakken wetmatigheid: net zoals de katholiek tot het paradijs is voorbestemd had de burger of arbeider een onontkoombaar uitzicht op de paradijselijke staat. Het bestaan zou ook hier de mens recht doen, al was het ook hier niet voor het hier en nu. Geluk en gezondheid zouden ons deel worden, later!!!
Misschien heb je al wel aan voelen komen, beste ine, wat ik hier probeer aan te duiden: het probleem van de eschatologie is het probleem van de windhond op de renbaan: hoe hard hij ook loopt, de kluif blijft voor hem hangen en hij krijgt hem niet te pakken. Eschatologien zijn echter onvermijdbare cultuurfilosofische noodzaken. Geen enkele theoreticus van de historie kan om het probleem heen dat het heden niet is goed te praten terwijl er toch de noodzaak van een perspectief is; de gespletenheid van de eschatologie (al het nu is voor later) is daarom een onontkoombaar gegeven.
Terugkomend op onze gezondheid, onderdeel van het geluk, stel ik dus dat het beeld van de gezondheidszorg bepaald is door het paradijs-beeld: ‘ het gaat goed komen met ons, wij moeten vertrouwen, de wetenschap is voorbestemd ons uit de miserie te halen’. Die gedachte verplaatst onze rechten en participatie naar het hiernamaals : gezondheid is iets dat wij ooit hopen te bereiken, zij het nu nog niet.
Deze beschrijving van een toestand verklaart haar nog niet. Waarom immers is deze heilsleer van de alles opvangende gezondheidszorg dan niet al lang ontmaskerd, waarom zouden wij blijven vasthouden aan de blindheid van geloof als daar in de harde objectieve werkelijkheid niet echt veel reden voor zou zijn?
Is daar wel een harde verklaring voor? Hard historisch bewijs kan ik in deze niet presenteren maar ik heb een speculatieve verklaring met hypothetische waarde. Zowel adam smith als marx en later georg simmel[6] hebben zich in hun werk intensief gebogen over de relatie van de mens tot zijn economische activiteit. Er is (om dat afschuwelijke germanisme toch nog maar eens te gebruiken bij gebrek aan beter) sprake van een veruitwendiging: elke mens geeft in zijn werk zichzelf als het ware een uitdrukking, een uiting. In termen van Marx en Smith staat die uiting gelijk aan de waarde in het gebruiksverkeer, de gebruikswaarde. (In termen van Simmel is daar meer aan de hand, een gedachte waar later sartre op voortborduurt)
In het maatschappelijk verkeer wordt die waarde een abstracte vorm gegeven, die van geld , om hem ruilbaar te maken. Het geld neemt de symboolwaarde van het gebruiksgoed aan, het wordt er als het ware het symbool, de fetisch van, maar dan ontdaan van zijn concrete bruikbaarheid. Waar het me om gaat is dat een produktieve werkzaamheid wordt omgezet in een concept dat de afnemer van het product kan vatten. Er is een bemiddeling nodig tussen de maker van een goed, ook als het een gedachte of een concept is, en degene die het wil of moet verwerven. Die waarde, die er tussen aanbieder en afnemer zit en die dus noodzakelijkerwijs een fetischkarakter heeft – zij is immers niet het goed maar staat er als van de gebruikswaarde ontdaan symbool voor in de plaats- is de pasmunt waardoor de twee partijen tot zaken komen, waardoor dus de ruil gaat plaatsvinden. Waar ik nu op doel[7] is dat in alle maatschappelijke betrekkingen er waardes bestaan (die niet zozeer per se de vorm van geld hoeven te hebben) die aanbod en afname van een geproduceerd goed mogelijk maken, doordat ze er als een clean gebruiksloos concept tussen staan. Die waardes moeten erkend zijn als waardevol (een historisch cultureel gegeven) en neutraal zodat beide partijen ze onderschrijven. In de intellectuele en wetenschappelijke arbeid betekent dat dat werkzaamheden pas een afnemer vinden als ze waarheid leveren. Of die waarheidswaarde nu omgezet wordt in geld of niet doet minder terzake: het gaat erom dat het waarheidsgehalte de acceptatie bepaalt.
Het concept ‘waarheid’ als zodanig is van statuut veranderd na de ondergang van de christelijke eschatologie. De waarde van het kennen nam onmetelijke vormen aan nadat de westerse mens tot de ontdekking kwam dat kennis niet door god gegeven was maar door de mens bereikt kon worden. Waarheid kon je bouwen, de wetenschap was de toekomst, waarheid was de ferrari richting het paradijs. Die optimistische visie die ook het denken van marx en de sociaalpolitieke leiders van de negentiende en twintigste eeuw bepaalde, onderbouwde de eschatologie: we gingen de volmaaktheid tegemoet, en Fukuyama[8] dacht zelfs dat we daar al waren.
Mijn hypothese luidt dus dat de eschatologische invulling van het waarheidsbegrip de wetenschap tot een nieuwe religie heeft laten verworden. Het absolutisme in het ‘waarheids-concept’ heeft ons overgeleverd aan de bevrijdingstheologie van de wetenschap.
En dan komt nu waar we nu zijn: waarheid is relatief, wetenschap is niet meer dan de kunde van het kennen, en, zo blijkt, er wordt veel meer gefaald dan de absolutistische pretentie van de wetenschap wil toegeven.[9] Paradise is lost (parafrase van Milton) en we kunnen ons niet zomaar toevertrouwen aan jullie, dokters in de kunde van de relatieve zekerheid.
Maar hier bereiken we ook een zeker kantelmoment in de beschrijving van waar we nu zijn. In mijn tekst was het concept ‘waarheid’ een analyse-instrument om het maatschappelijk verkeer en de maatschappelijke ontwikkeling te beschrijven. Maar waarheid is niet enkel een concept maar ook een waarde. We hechten aan de waarheid. Waarheid spreken is een goed, onwaarheid is het slechte, zoals Augustinus zei: de kant van het niet-zijn van het goede. Als we die waarde zouden verlaten. Blijven we dan nog ergens of komen we dan in een moreel luchtledig?
Is het, om in de termen van jouw werk te blijven, Ine, een goede zaak als ik je afreken op de waarde van je oordelen, in plaats van de waarheid ervan te aanvaarden op basis van je wetenschappelijk gezag?
Ja, ik denk dat wel. Sterker nog, ik geloof dat we niet veel kopen met wat je aan waarheid te bieden hebt. Moet ik wel mijn resistentie laten afbreken door je medicijnen, moet ik werkelijk anderen laten lijden, omdat gezondheid jullie absoluut adagium is. Ik denk dat de mens zichzelf voldoende tot norm is. Bevrijd ons van het christendom zei Nietzsche. Bevrijd ons van het absolutisme van de gezondheidsstaat, zeg ik dan. Ik weet niet of die twee uitspraken uiteindelijk elkaar zoveel zullen ontlopen.
Wel, je weet nu dat ik niet veel reden heb op basis van mijn persoonlijke ervaringen om een rotsvast vertrouwen te hebben in de medische behandeling van mijn problemen. En je weet nu ook dat ik denk dat dat ook helemaal geen toeval is en het eigenlijk onwaarschijnlijker was geweest als mijn gezondheidsproblemen wel adekwaat waren opgelost. Ik denk niet dat doktoren bevrijders zijn. En bevrijd ons van al die bevrijders. De confrontatie met elkaar in een open debat is een betere basis dan de ideologie die jij wetenschap en gezondheidszorg noemt.
Met de groet van een strijdlustige patient
Maarten van den oever
[1] (noot: overigens had deze historie nog een voor het belang van de medische aanpak symbolische afloop: de lange duur van de episode -80 weken- bleek te zijn veroorzaakt doordat het middel in kwestie ‘almogran’ na 6 weken gebruik pervers bleek te worden en dan de aanvallen ging oproepen in plaats van ze te dempen; Miek had 74 weken extra doodspijn te danken aan een arts die het niet nodig vond om op de gebruiksbeperking van het medicijn te wijzen en ook achteraf zijn voorschrijfgedrag geen excuus waardig vond, net zomin als de huisarts die de verlengingen voorschreef
[2]www.Gutenberg.org, Augustine:confessions, library of congress; Augustinus, Bekentnisse,Fischer,Frankfurt a/m 1955
[3]Saxton Alexander, Religion and the human Prospect,uitg Monthly review press, 2006 New York
[4]Rousseau Jean Jacques,the social contract, uitg penguin books, Middlesex 1928
[5] Blom Philip,Het verdorven genootschap,uitg de bezige bij, Amsterdam 2010
[6] Simmel georg, Philosophie des Geldes, uitg Duncker&Humblot, munchen en Leipzig,1907
[7] (Noot: bij marx en smith gaat het hier enkel over geld als bemiddelende waarde)
[8] Fukuyam Francis, het einde van de geschiedenis en de laatste mens,uitg contact,2005
[9] (noot: ik waarschuw hier voor alle duidelijkheid:het meta-theoretisch karakter van mijn opmerkingen betekent wel dat ik enkel uitspraken doe over de rol van concepten in de samenleving en niet over de metaphysica van het proces van wetenschappelijke opbouw, epistemologische waarde etc)